DE JACHT GEEN OPLOSSING TEGEN WILDSCHADE

“De Europese commissie zal België meer uitleg vragen over het duivenweekend dat plaatsvond op 27 en 28 februari van dit jaar. Het doel was om zo veel mogelijk houtduiven te schieten om zo de populatie onder controle te krijgen. “

“Vlaams milieuminister Joke Schauvliege gaat een enquête organiseren om na te gaan hoeveel mensen al schade hebben geleden Aan de hand van de resultaten zal ze beslissen of ze de jacht op de vos versoepelt.”

 

Natuurverenigingen zijn van mening dat het massale afschot van houtduiven geen enkele invloed heeft op de broedvogelpopulatie in Vlaanderen en dus ook niet op het beschermen van land- en tuinbouwgewassen tegen vraatschade later op het jaar. Eind februari zijn daarenboven de meeste houtduiven in Vlaanderen trekvogels en behoren ze dus niet tot de plaatselijke broedpopulatie.

 

In Vlaanderen is de jacht op de houtduif geopend van 15 september tot en met de laatste dag van februari. Op basis van de Vogelrichtlijn en de wetenschappelijke gegevens in verband met de houtduiventrek, zou men echter verwachten dat het jachtseizoen op deze soort op 31 januari moet sluiten en niet op 28 februari. Daarom stelde Kathleen Van Brempt in samenspraak met Vogelbescherming Vlaanderen volgende vragen aan de Europese Commissie: 1) is de Commissie van oordeel dat met het duivenweekend een overtreding begaan werd ten aanzien van de vogelrichtlijn? 2) is de Commissie van oordeel dat wat dit betreft de Vlaamse jachtwetgeving in overeenstemming moet worden gebracht met de Europese?

 

Het antwoord van de Commissie is duidelijk: “Ten aanzien van trekvogels zien de lidstaten er op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen. Voor de houtduif loopt de trekperiode in België van 1 februari tot en met 20 april. In Vlaanderen mag tussen 15 september en 28 of 29 februari op houtduiven worden gejaagd. Deze jachtperiode overlapt bijgevolg de trekperiode van de houtduif. De Commissie zal België verzoeken toe te lichten welke criteria zijn toegepast voor de vaststelling van de jachtperiode voor de houtduif in Vlaanderen. Mocht blijken dat deze criteria in strijd zijn met de Vogelrichtlijn, dan zal de Commissie passende wettelijke maatregelen tegen België overwegen.”

 

Wordt dus vervolgd...

 

 

Geschoten_Houtduif_02

Het omstreden ‘duivenweekend’ eind februari was een initiatief van zowel de Boerenbond (BB) als de Hubertus Vereniging Vlaanderen (HVV) en had als doel zoveel mogelijk houtduiven te schieten. De initiatiefnemers hoopten hiermee de populatie van houtduiven in de hand te houden om zo de schade die ze aanbrengen aan groenten, fruit en granen te kunnen beperken.

Deze twee recente berichten uit de media wijzen op de terug opflakkerende discussie over het afschieten van wild om schade te voorkomen.  Over de duiven is er in West-Vlaanderen al het één en ander te doen geweest met allerhande onderzoek, werkgroepen en vergaderingen.  Het nut van het afschotweekend wordt blijvend in vraag gesteld en er moet gezocht worden naar andere oplossingen.  De vos heeft zich de laatste decennia op spontane wijze in geheel West-Europa sterker verspreid, maar het aantal vossen blijft sinds enkele jaren min of meer gelijk.  Het beter beschermen van het pluimvee lijkt ons eerder aangewezen dan het bejagen van de vos om schade te voorkomen.  Bovendien eet de vos ook heel wat duifjes...

Twintig jaar geleden was er in Vlaanderen amper nog een vos te bespeuren. De dieren werden vroeger  systematisch in hun burchten vergast ter bestrijding van de hondsdolheid. Maar nu die ziekte is uitgeroeid, rukken de vossen sinds de jaren 90 weer zo snel op, dat ze nagenoeg het hele grondgebied heroverd hebben.

Heeft u ooit al een vos in levenden lijve gezien? Ondervindt u last van zijn aanwezigheid in de buurt? Heeft hij u al schade berokkend door bijvoorbeeld uw kippenren leeg te roven? Vindt u dat een intensieve bestrijding van de vos wenselijk is? Met dat soort vragen wil Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) bij de bevolking peilen naar het zogenaamde maatschappelijke draagvlak voor dat roofdier.


Aanleiding voor het onderzoek is het snel stijgende aantal vossen in Vlaanderen en de steeds nadrukkelijker vraag van jagers en pluimveeliefhebbers om daar paal en perk aan te stellen. Want als je de vos laat begaan, dan is straks geen enkele patrijs, fazant, eend, kip of kalkoen meer veilig. Dat beweren de vossenvijanden toch. En vanuit steden als Brussel, Antwerpen en Gent komen er steeds meer klachten over stadsvossen die in de vuilnisbakken scharrelen.

 

De vossenjacht werd dit jaar al met een maand verlengd in een gebied dat zich uitstrekt van Damme tot Ruiselede. Zeventig jagers van de Wildbeheerseenheid Drie Koningen kregen van het Agentschap voor Natuur en Bos uitzonderlijk toestemming om op vossen te jagen tot eind deze maand.  Nu mogen vossen in Vlaanderen enkel overdag bejaagd worden, van 1 oktober tot 14 februari. In stedelijke gebieden is elke vorm van bejaging en bestrijding zelfs verboden.


Daar komt mogelijk verandering in, want naast een bevolkingsenquête heeft minister Schauvliege aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek ook de opdracht gegeven om na te gaan hoe de omringende landen hun vossenpopulatie onder controle houden. Daaruit blijkt dat onze buren er duchtig op los knallen en bovendien over een heel arsenaal bestrijdingsmiddelen beschikken.


Bejaging biedt geen oplossing

Bij bejaging zijn er immers 2 doelstellingen mogelijk:

 

Scenario 1 : lokaal geen vossen

In dit scenario wil men de vos in een bepaald gebied dus volledig weg. Maar vossen zijn territoriale dieren; zij gaan dus een deel van het landschap bezetten waarin zij geen vreemde soortgenoten dulden. Zo’n territorium heeft

doorgaans een oppervlakte van enkele vierkante kilometer. Het wordt in de regel bezet door een (familie)groep bestaand uit een dominant koppel (niet zelden aangevuld met wijfjes die zich niet voortplanten) en tijdelijk ook een aantal jongen (één nest per territorium). Men kan ervan uitgaan dat zowat het ganse Vlaamse grondgebied opgedeeld is in x aantal vossenterritoria. Indien men ervoor kiest dat er lokaal géén vossen zijn, betekent dit dat men één of meerdere territoria leegmaakt. Lege territoria worden evenwel heel snel spontaan opnieuw ingenomen door andere, meestal jonge dieren uit de (wijdere) omgeving. Wil men dit beletten, dan kan men best ook die naburige territoria leegmaken. Maar in het dichtbevolkte Vlaanderen, gekenmerkt door lintbebouwing en verspreide landelijke bewoning, zijn zo goed als nergens stukken landschap te vinden ter grootte van een vossenterritorium, waarin niet tegelijkertijd ook kippenhouders wonen.  Als men het gelijkheidsbeginsel respecteert, dan moeten alle kippenhouders het recht hebben om in een regio zonder vossen te wonen en komt het er concreet op neer dat men de vos gewoon overal, in geheel Vlaanderen dient te verwijderen. Scenario 1 is dan eigenlijk een uitroeiingscenario : de vos wordt als soort in Vlaanderen volledig uitgeroeid. Dit is evenwel een visie die niet meer van deze tijd kan zijn.

 

Scenario 2 : minder vossen

In dit scenario wordt gepleit het aantal vossen per locatie te verminderen, zonder ze allemaal te doden (beheersjacht). Men wil dus bewust een minimumaantal vossen in leven laten – zoniet vervallen we terug in het vorige scenario. Minder vossen op een bepaalde plaats zullen, globaal genomen, dan ook minder (frequent) kippen kunnen gaan pakken, het aantal gedupeerde kippenhouders en het aantal klachten zal afnemen. Maar de eerlijkheid gebiedt duidelijk te stellen dat de individuele kippenhouder absoluut géén garantie heeft dat zijn kippen vroeg of laat niet zullen gepakt worden. Een vos zal immers steeds de makkelijkste weg nemen om aan voedsel te geraken – onbeveiligde kippen zijn zo’n makkelijke voedselbron – en dit ongeacht of er nu één dan wel vijf vossen in datzelfde territorium

rondlopen.  We moeten bij dit scenario ook stilstaan bij het ‘vereiste

minimumaantal’, en ‘welke vossen’ dit dan wel zijn.  Willen we niet vervallen in het eerste scenario (= geen vossen, uitroeiing), dan is het minimum aantal dieren per territorium twee – en meer bepaald een koppel.  Met andere woorden : zelfs al wordt het aantal dieren per territorium beperkt tot het

‘toelaatbare’ minimum van één koppel per territorium, zonder extra-wijfjes en zonder zwervers, dan zal er hoe dan ook in elk territorium een nest jongen worden geboren. Het is precies in de periode dat er zo’n nest vossenjongen moet grootgebracht worden, dat de conflicten met kleinveehouders een hoogtepunt kennen.

 

Heel vaak wordt gesteld dat men als mens wel moét ingrijpen in de vossenstand omdat de vos zelf geen ‘natuurlijke vijanden’ (wolven, beren, arenden,…) meer heeft in onze streken. De stand van de vossen wordt evenwel géénszins door al dan niet verdwenen grotere roofdieren gereguleerd. Vossen doen immers aan ‘sociale regulatie’. Daarbij spelen precies de onderlinge territorialiteit én het aantal reeds aanwezige dieren een essentiële rol. Zo zullen bij verhoogde sterfte (verdelging, ziekte,…) een groter aandeel wijfjes aan de voortplanting deelnemen en zullen méér jongen kunnen overleven dan zonder deze extrasterfte. Sterfte van een of enkele dieren zorgt gewoon voor meer mogelijkheden en overlevingskansen van andere.

 

De enige oplossing (naast totale uitroeiing) bestaat er in om de gepaste voorzorgen te nemen opdat de vos niet bij het kleinvee kan komen. In de praktijk betekent dit een degelijke omheining, een gesloten ren, of een afsluitbaar nachthok. Verhoogde bejaging creëert een vals gevoel van veiligheid, en is voor de kleinveehouder niet de goede oplossing.

 

Een brochure over de vos met aanbevelingen om het pluimvee te beschermen kan je hier downloaden.

 

Bronnen: www.inbo.be

 

 

 

Tekst: Frederik Lapeirre