Tekstvak: Provinciaal RUIMTELIJK 
STRUCTUURPLAN WORDT “fLEXIBEL”

In navolging van de herziening van het Vlaams Ruimtelijk Structuurplan is Provincie West-Vlaanderen nu ook gestart met een herziening van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan (PRS). We konden via de Procoro reeds de motiveringsnota bekijken. Veel meer is er, volgens de administratie, op dit ogenblik nog niet.  Toch stelt één en ander in deze nota ons niet gerust ...

Het PRS moet voortaan een flexibel en dynamisch document worden. Dat klinkt positief. Maar in de motiveringsnota haalt de Provincie als eerste voorbeeld aan dat prognoses voor wonen en werken op die manier constant bijgesteld kunnen worden.  In één adem verwijst men hierbij naar het integreren van de behoeftenstudie tot 2022 van Cabus en Vanhaverbeke.  Deze studie stelt dat er in West-Vlaanderen nog heel wat bedrijfsterreinen moeten bijkomen. 

 

Bijkomende ruimte voor werken en wonen integreren

 

De visie van Cabus en Van Haverbeke is slechts één van verschillende mogelijke methodieken om tot een behoeftenraming te komen.  Cabus, die nu kabinetchef is van Minister Muyters, bekijkt het met een traditionele economische bril.  Uit een parlementaire vraag aan minister Kris Peeters begin dit jaar bleek bovendien dat er momenteel geen correct inventaris en bijgevolg juiste cijfers zijn over nog beschikbare terreinen en leegstaande bedrijfsgebouwen. Nu is men pas bezig met deze oefening.

 

Het RSV heeft woningbehoefte tot 2012 geraamd op 15134  à  21163 woningen geraamd, afhankelijk van sterke of zwakke gezinsverdunning.  Ook hier stelt de Provincie dat deze  actualisatie van taakstelling RSV op vandaag gedeeltelijk achterhaald is en dat een verruiming van de planhorizon tot 2022 noodzakelijk is. Men wil wel ook een éénduidige methodiek voor gemeentelijke woningbehoeftestudies opmaken. Men stelt ook dat sommige gemeenten agrarisch gebied willen aansnijden als woonuitbreidingsgebied en dat dit in sommige gevallen ruimtelijk een betere oplossing zou zijn.  Men wil criteria opstellen om dergelijke gevallen te beoordelen.

 

Zowel wonen en werken vragen dus bijkomende ruimte.  De ruimtebalans uit RSV I is echter nog niet volledig gerealiseerd, zeker niet voor natuur en bos, maar bepaalde sectoren krijgen nu wel al bijkomende ruimte toegewezen.  Vlaanderen is ondertussen echter niet groter geworden. Dus dit zal ten koste gaan van open ruimte.  Flexibel en dynamisch lijkt ons hier dan ook een eufemisme voor “makkelijk kunnen aansnijden van resterende open ruimte” in het voordeel van welbepaalde sectoren.  Voor men éénzijdig bijkomende ha aan sectoren werken en wonen toekent, moeten er op zijn minst degelijke inventarisaties en  behoeftenstudies beschikbaar zijn.  Het moet eerst duidelijk zijn nog wat leeg staat en wat nog geactiveerd kan worden en waar nog kan ingebreid worden 

 

Inspraak van de verschillende sectoren (BBL/WMF, Natuurpunt, Boerenbond, VOKA,…) zal er pas zijn via de Procoro van oktober 2010.  Ondertussen zullen er wel bilaterale gesprekken doorgaan met intercommunales, diverse provinciale en regionale atria (?), departement RWO en provinciale diensten.  Na de Procoro van oktober is er ook mogelijkheid voor het middenveld om bilateraal gehoord te worden.

 

Natuurverbindingsgebieden evalueren

 

Ook het volgende punt ontspringt in de motiveringsnota : “evaluatie van de selecties van de natuurverbindingsgebieden op basis van de gevoerde planningsprocessen in het buitengebied en de afbakening van het VEN, waarbij een afstemming gebeurt met de toeristisch recreatieve infrastructuur”.

 

Nu er Vlaamse gebiedsvisies zijn voor natuur, landbouw en bos, er 89.000 ha VEN is afgebakend en gemeenten en Provincies suggesties doen om natuurverbindingen bijkomend aan te duiden of te schrappen, hypothetische natuuraandachtsgebieden geschrapt worden en/of vervangen worden door effectieve zoekzones.  Op korte termijn wil men een evaluatie doen van de selecties van natuurverbindingsgebieden en wil men suggesties van verschillende gemeenten onderzoeken. 

 

Bij een 2de herziening (2de helft 2011) wil men een geïntegreerde visie op natuurverbindingsgebieden uitwerken.

 

Positief is dat men eindelijk iets concreter zal gaan werken omtrent natuurverbindingsgebieden.  Anderzijds implementeert voorgestelde dat er in de huidige selectie van natuurverbindingsgebieden –nu is dat een theoretische groene bufferstrook langs natte en droge lijnvormige landschapselementen (beken, trage wegen,…)- zal geschrapt worden.  Ook wil men er een meerwaarde voor landbouw, toerisme en recreatie aan koppelen, wat positief kan zijn, maar o.i. een nevenfunctie is.  Dus geen restrictieve voorwaarde.  De afbakening van het buitengebied is op dit ogenblijk nog niet afgerond.  Er dient nog heel wat ha bos en natuur bij gerealiseerd om de doelstellingen van het eerste RSV te behalen. De conclusie dat hypothetische natuuraandachtsgebieden kunnen geschrapt worden is dus voorbarig. 

 

Provinciale domeinen : teveel natuur en te weinig recreatie?

 

De motiveringsnota stelt dat het huidig PRS-West-Vlaanderen bepaalt dat in provinciale domeinen enkel zachte recreatie is toegelaten.  Uitvoeringsplannen kunnen bijkomende vormen van recreatief medegebruik aangeven.  Men stelt zich de vraag of bovenstaande principes niet teveel op natuur en te weinig op recreatie gefocust zijn.   Men wil echter een restrictief beleid blijven voeren voor wat betreft (harde) recreatie.  Bij de huidige herziening wil men het begrip “recreatief medegebruik” nader omschrijven. 

 

Uitwerken beleidskader opstellen i.v.m. mestverwerking en biogasinstallaties.

 

Een opvallend punt bij nog te onderzoeken punten is dat de Provincie wil onderzoeken of er voor de Provincie een rol is weggelegd voor het toewijzen van locaties en of er nood is aan beleidskader. De natuur- en milieuverenigingen kunnen nu al antwoorden op deze vraag : dat ruimtelijk beleidskader is dringend nodig. De belangrijkste motivatie van de Provincie om dit te onderzoeken is echter dat mestverwerkings- & biogasinstallaties tot 60.000 ton niet meer vergunbaar zijn in agrarisch gebied, maar dat ruimte ontbreekt op andere plaatsen. 

 

BBL en WMF vragen al enkele jaren aan de Vlaamse ministers van leefmilieu en Ruimtelijke Ordening om de omzendbrief i.v.m. de  inplanting van mestverwerkings- en biogasinstallaties te actualiseren.  Nu worden de meeste vergunningsaanvragen door de Deputatie goedgekeurd zonder ruimtelijke afwegingskader : zo komt het dat er in bepaalde regio’s in agrarisch gebied verschillende installaties dicht bij elkaar ingeplant worden.  Omdat input voor deze installaties max. voor 1/3 uit mest bestaat, moeten overige grondstoffen aangevoerd worden over landelijke wegen, wat voor de nodige hinder en druk op het platteland zorgt. 

 

Onze algemene conclusie is dat de herziening van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan door onze sector op de voet dient gevolgd te worden : er is ook een groeiende groep mensen in deze Provincie met behoefte aan gezonde ademruimte voor onze en toekomstige generaties. 

 

 

 

Tekst: Katty De Wilde